Kansspel wetgeving Zweden deels strijdig met EG-recht (conclusie AG)

Op 23 februari is de conclusie van de AG van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) in de zaak  Sjöberg, Gerdin v Åklagaren (C‑447/08 en C‑448/08) gepubliceerd. Uit zijn mening blijkt dat de Zweedse nationale bepaling die het aanbieden van kansspelen (en de promotie daarvan op het internet) beperkt, in overeenstemming is met het Europese recht (oud art. 49 EG i.c. vrijheid van dienstverrichting – thans neergelegd in art. 56 VwEU). Lidstaten van de EU hebben een ruime margin of appreciation op het gebied van regulering van kansspelen nu dit geen gewone economische activiteit betreft. Zij mogen daardoor strenge regels stellen ter bescherming van de openbare orde en de consumenten (tegen de gevaren van fraude en criminaliteit). Echter verzet het Europese recht zich tegen een regel die de promotie van een door een in andere lidstaat gevestigde aanbieder zwaarder sanctioneert dan de promotie van een aanbieder van nationaal grondgebied. 

De AG stelt dat Zweden, met het oog op bescherming van de consument tegen de risico’s van fraude en criminaliteit, het recht kansspelen te exploiteren en te promoten mag onderwerpen aan een vergunningstelsel zodat zij door de overheid streng gereguleerd kan worden (ov. 90). Dit volgt uit het arrest Liga v Lisboa waarin werd beslist dat dit tevens geldt voor kansspelen die via het internet worden aangeboden. Nu heeft Zweden in § 54 lid 2 Lotterilag bepaalt dat diegene die kansspelen die in een andere lidstaat zijn gevestigd – promoot (dus ongeacht of hij deze wel of niet zelf aanbiedt), een (strafrechtelijke) sanctie opgelegd kan krijgen van een gevangenisstraf van maximaal twee jaar of een geldboete. Terwijl de promoters van (zonder vergunning hebbende) kansspel aanbieders die zijn gevestigd op Zweeds grondgebied slechts kunnen worden gesanctioneerd met een bestuursrechtelijke boete (§ 38 Lotterilag). Ook al is deze bestuursrechtelijke boete van gelijke hoogte, volgens de AG kan zo’n bepaling geen stand houden en is deze onverenigbaar met het Europese recht omdat § 54 lid 2 Lotterilag nog steeds de mogelijkheid biedt een gevangenisstraf op te leggen. Dit is volgens de AG discriminerend en niet noodzakelijk om haar doel te bereiken.

De kans dat het Hof de AG volgen zal lijkt aanzienlijk groot omdat niet is aangetoond dat de risico’s voor fraude en criminaliteit van de consumenten groter zijn bij kansspel aanbieders die zijn gevestigd in een buitenlandse lidstaat.

This entry was posted in Europeesrecht and tagged , , , . Bookmark the permalink.