Vuilnisbakkenjournalistiek? Laat dat de rechter maar bepalen…

Sinds 14 mei ligt het tijdschrift Binnenhof in de winkels. In Binnenhof werd onder andere aandacht besteed aan het vuilnis van politici. In het vuilnis van Pechtold werd een zwangerschapstest gevonden. Binnenhof vond het nodig om vier pagina’s aan het vuilnis te besteden. Jan Dijkgraaf (hoofdredeacteur) stond achter deze manier van nieuwsgaring. Toen Bart Chabot in Pauw en Witteman Dijkgraaf zijn mening vroeg over deze vorm van vuilnisbakkenjournalistiek schoof hij de verantwoordelijkheid door naar de rechter. Volgens hem is het niet de taak van de journalist de grenzen van haar handelen te bepalen (dit bood Propria Cures een vrijbrief om zijn vuilnis eens te onderwerpen aan onderzoek), maar zou de rechter hierover moeten beslissen. De vraag is wat de rechter zou hebben beslist.

Eigendom vuilnis (diefstal)
Het lijkt niet onmogelijk om diefstal in de zin van art. 310 Sr aan te tonen. Dit hangt echter weliswaar af van de omstandigheid waar het vuilnis zich bevond, maar het vuilnis is nog steeds eigendom van Pechtold. Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en zodoende te bezitten (artt. 3: 109 jo. 3: 119 lid 1 BW). Dit wordt beoordeeld naar de maatstaven van de verkeersopvatting (art. 3: 108 BW). Pechtold zou hierdoor kunnen stellen dat zijn eigendom is weggenomen. Echt sterk is dit beroep niet omdat vuilnis niet voor niets vuilnis is, men wil er vanaf. Een eenvoudigere optie biedt het (Europese) grondrecht.

Privacy v persvrijheid
De meest voor de hand liggende methode om Binnenhof tot halt te roepen is door te stellen dat zij inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van Pechtold (art. 8 EVRM , art. 17 IVBPR, vgl. 10 Grondwet). Nu het recht van vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM, art. 19 IVBPR, vgl. art. 7 Grondwet) geen voorrang heeft ten opzichte van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal er een belangenafweging moeten worden gemaakt.  Het beslissende punt volgens het EHRM is of de informatievoorziening een bijdrage levert aan het publieke debat. Dit punt kan worden uitgelegd in het licht van de Resolutie 1165/1998 (Parliamentaire Assemblee van de Raad van Europa over het recht op privacy). Hieruit volgt onder andere dat de lezer (en dus ook de pers) niet het recht heeft om alles te weten over een publiek figuur. Uit een geschil bij het EHRM waar het de publicatie van foto’s van Caroline von Hannover betrof stelde het Hof dat von Hannover het recht heeft op “protection of her private life even outside her home but only if she was in a secluded place out of the publiec eye“. Alhoewel de pers een essentiële rol speelt in een democratische samenleving, dient zij bepaalde grenzen aan te houden. In von Hannover werden foto’s van scene’s uit haar dagelijkse leven gepubliceerd die weinig informatief waren en diende om een roddelblad mee te vullen. Omdat deze foto’s niets toevoegde aan het publieke debat (general interest) gaf het Hof een enge uitleg aan de bescherming van art. 10 EVRM voor de pers. Ook de context was hier van belang, von Hannover is weliswaar princes van Monaco, maar voert geen publieke functies uit. Hierbij werd ook de wijze waarop de foto’s tot stand zijn gekomen mee gewogen, von Hannover werd vaker gefotografeerd op privé plekken.
Het onderscheid tussen het snuffelen in iemand vuilnis en het publiceren van het gesnuffelde is dus van belang. De Story had in 2002 foto’s van Paul de Leeuw gepubliceerd. Foto’s waarop hij zowel binnenshuis als buitenshuis werd afgebeeld. Op een van de foto’s stond hij achter het raam van zijn woonkamer met zijn zoontje. Deze foto was gemaakt met een telelens vanaf de overkant van zijn huis. Het feit dat iedere willekeurige burger zo’n foto gemaakt had kunnen hebben doet volgens de Amsterdamse rechtbank niets af aan de onrechtmatigheid. Bovendien voegde de foto gezien de geringe nieuwswaarde niets toe. Story had hierdoor in strijd gehandeld met het recht op privacy van Paul de Leeuw (Rb. Amsterdam 7 mei 2003, LJN: AF8332) omdat de wijze waarop de foto tot stand was gekomen niet door de beugel kon. De wijze waarop de foto’s die buitenshuis waren gemaakt werd niet onrechtmatige geacht en, omdat Paul de Leeuw op die foto’s buitenshuis – in de publieke sfeer – werd afgebeeld hierdoor (met name omdat Paul de Leeuw bekendheid geniet en inmening in zijn privacy met bepaalde mate heeft te dulden) de publicatie ook niet.

Pechtold zijn vuilnis
Zoals zojuist aangegeven heeft Pechtold als publiek figuur wel het een en ander te dulden nu hij onderdeel is van het publieke debat. Het nieuws afkomstig van zijn vuilnis voegt echter niets toe aan het publieke debat. Het roddelmateriaal staat volledig los van zijn publieke functie. Omdat dit nieuws op onrechtmatige wijze is verkregen en een geringe nieuwswaarde bevat zal de rechter hoogstwaarschijnlijk hebben beslist dat Binnenhof ongeoorloofd inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van Pechtold. Dat wil niet zeggen dat het snuffelen in het vuilnis van een publiek figuur op geen enkele manier is toegestaan door een journalist. Er zijn situaties denkbaar waar dat wel kan, maar in dit geval lijkt de kans een succesvol beroep te doen op het recht van persvrijheid door Dijkgraaf nihil. Een juridische procedure zou Pechtold overigens weinig opleveren, Paul de Leeuw kreeg slechts 5.000 euro van Story in plaats van de geëiste 45.000 euro. Bovendien is het nog maar de vraag of een dergelijke procedure gunstig zou zijn voor de reputatie van Pechtold. De brief naar de Volkskrant door Pechtold siert hem in ieder geval meer dan het optreden van Dijkgraaf in Pauw en Witteman.

This entry was posted in Grondrecht and tagged , , . Bookmark the permalink.