Wilders vergeleken met EHRM Féret v Belgium

Wilders wordt beschuldigd van het aanzetten tot haat, discriminatie en het beledigen van moslims op basis van de “documentaire” Fitna en uitspraken die door hem zijn gedaan tijdens interviews. Het OM zal pas op het laatste moment van de terechtzitting bepalen of de verdachte vervolgd dient te worden, wat inhoudt dat ook al zou Wilders strafbaar zijn – zij middels het (opmerkelijke) opportuniteitsbeginsel nog altijd de eis in kan trekken.

Parlementaire onschendbaarheid
Even los van alle commotie en het politieke gerammel aan deze zaak lijkt het niet overbodig om eens na te gaan of de beschuldigingen een kans van slagen hebben. Wilders is weliswaar onschendbaar voor hetgeen hij in de vergaderingen van de Staten-Generaal zegt of schriftelijk overlegt, daarbuiten gelden andere regels. Dit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld België waar de parlementsleden in beginsel ook voor uitlatingen buiten het parlement onschendbaarheid genieten. Deze onschendbaarheid kan alleen opzij worden gezet nadat het Parlement deze heeft opgeheven (zie artt. 58 jo. 59 van de Belgische Grondwet) . Op Europees niveau gelden soortelijke  regels, Carla Berkhout (winnaar van de  Scriptieprijs Rechtswetenschappen 2009) constateert dat de uitvoering ervan te wensen overlaat. Deze onschendbaarheid strookt volgens Berkhout niet meer met deze tijd, met name vanwege het gegeven dat parlementsleden tegenwoordig rechtstreeks verkozen worden (dit was anders ten tijde van het tot stand komen van het PVI).

Féret v Belgium
De aanklacht tegen Wilders doet erg denken aan een conflict tussen een Belgische (ex)parlementarier en de Belgische Staat, dat op 16 juli 2009 is beslecht door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Féret werd veroordeeld door een Belgische strafrechter voor het openbaar aanzetten tot racisme, haat en discriminatie, naar aanleiding van klachten over folders verspreid door – de partij waar hij toentertijd (1999) president van was – het Front National (FN) tijdens verkiezingscampagnes.
In deze folders stelde het FN dat migranten terug moesten worden gestuurd naar hun land van herkomst zodat de voordelen van de sociale zekerheid werd voorbehouden voor Belgische en Europese burgers. Ook zouden de asielzoekerscentra volgens het FN moeten worden omgebouwd tot opvangcentra voor dakloze Belgen zodat er een einde kon worden gemaakt aan de subsidies voor organisaties die zich inzetten voor integratie van migranten. Tevens vond het FN dat het nodig was om werkloze migranten (niet-Europese) uit het land te zetten en gezinshereniging voor deze migranten stop te zetten. Het volk moest worden gered van het risico van de Islamitische veroveraar (‘de sauver notre peuple du risque que constitue l’Islam conquérant’) en asielzoekers zijn volgens het FN ‘les sans papiers, illegaux donc délinquants’ – zonder papier, illegaal dus overtreders. Ook verwees de FN in een folder naar 9/11 waar de ‘couscous clan’ de schuld werd toegewezen. Deze uitlatingen werden als racistisch ervaren waardoor Féret werd aangeklaagd door het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en de Belgische vereniging voor de Rechten van de Mens (Ligue des Droits de l’Homme).
Féret, tevens parlementslid, stelde na een lange procedure dat deze uitlatingen waren gedaan ter uitoefening van zijn ambt en de parlementaire onschendbaarheid hem zodoende een vrijbrief gaf deze uitlatingen te doen. Verschillende Belgische rechtscolleges gaven aan dat hij niet zou worden veroordeeld wegens het plegen van een politiek misdrijf, maar wegens het  in het openbaar aanzetten tot racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat. Volgens de aanklagers waren de uitlatingen van Féret niet gedaan ter uitoefening van zijn ambt, en al zou dit wel zo zijn, dan nog is de (onschendbaarheid van de) vrijheid van meningsuiting niet absoluut. Niets nieuws, dit volgt ook uit de zojuist aangehaalde artikelen van de Belgische Grondwet. Toch was Féret het er niet mee eens waardoor het EHRM bij zijn zaak werd betrokken.

Het EHRM heeft vele oordelen geveld over de betekenis van art. 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). Onder andere in het bekende Handyside besliste zij dat de vrijheid van meningsuiting geldt voor “information” or “ideas that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no “democratic society”. This means, amongst other things, that every “formality”, “condition”, “restriction” or “penalty” imposed in this sphere must be proportionate to the legitimate aim pursued.” Volgens het Hof hoeft een waardeoordeel niet bewezen te worden, maar negatief luidende waardeoordelen dienen wel voldoende feitelijke grondslag te hebben (Jerusalem). In de laatstgenoemde zaak noemde gemeenteraadslid Jerusalem een bepaalde vereniging een sekte onder meer omdat hun ideologie fascistische neigingen toont met hiërarchische structuren (“psycho-sect”). Dit was volgens het Hof toegestaan omdat Jerusalem aangaf dat er voldoende feitelijke basis was voor haar uitspraak nu zij haar stelling onderbouwde met bewijsstukken uit kranten en tijdschriften. Jersulam bood tevens aan vier getuigen op te roepen en de mening van een expert om haar standpunt uitgebreider toe te lichten. Dit werd door Oostenrijk niet toegestaan, maar dat werd door het Hof niet goedgekeurd. Het vraagstuk in dit soort zaken, ook die van Wilders, is of een (strafrechtelijke) maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving, zoals voortvloeit uit het tweede lid van art. 10 EVRM.

Terug naar Féret v Belgium. Het Hof achtte de strafrechtelijke maatregel die Féret was opgelegd (250 uur werkstraf en tien jarige ontzegging van zijn kiesrecht en politiek kandidatuurschap) noodzakelijk omdat de immigranten werden bestempeld als een crimonogeen milieu en dat door de verwijzing van de ‘couscous clan’ naar de schulhebbende van 9/11 zij als terroristen worden voorgesteld wat leidt tot het opwekken van vreemdelingenhaat (zie v.a. r.o. 69). Van belang is hierbij dat de veroordeling door de Belgische rechter is gebaseerd op de inhoud van de door FN verspreide folders, maar dat de veroordeling zelf geen betrekking heeft op het politieke program van de partij. Dit wordt benadrukt door het Hof en is m.i. een overweging  die voor discussievatbaar is nu de inhoud van de folders wel degelijk wijst op de politieke weg die FN wil volgen. Het is weliswaar op een ongenuanceerde en voor bepaalde bevolkingsgroepen kleinerende wijze gedaan, maar wel met het doel een politiek standpunt in te nemen. De folders hebben betrekking op het vreemdelingen en integratiebeleid van België, dat zij van negatieve invloed zijn op die vreemdelingen hoeft geen reden te zijn om de uitingen van FN te bestraffen. Overigens is het overgrote deel van het Hof van mening dat de folders inderdaad onder haatzaaien vallen waardoor de ruime betekenis van dit begrip correct lijkt te zijn toegepast. Het is noodzakelijk om een racistische discours te bestraffen (ook al wordt hier niet opgeroepen tot geweldpleging) omdat dit de veiligheid maar vooral de waardigheid van bepaalde groepen aantast. De folders zijn bovendien een aantasting  van de mensenrechten, aldus het Hof. In deze uitspraak was het ook van belang dat van een politicus in electorale peroides mag worden verwacht dat hij niet oproept tot racisme en onverdraagzaamheid (hier spreekt geweldpleging geen rol).

Wilders tegen
Zal Wilders worden veroordeeld voor de uitspraken die hij heeft gedaan? Haatzaaien is verboden en vormt de ondergrens van de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM hanteert een restrictieve interpretatie van het bijzondere privilege van de vrijheid van meningsuiting voor parlementairen, waardoor een beroep op de parlementaire onschendbaarheid sowieso geen stand houdt. Wilders gaat zich natuurlijk niet richten op het standpunt dat zijn uitingen onder het begrip haatzaaien vallen, maar  zal trachten aan te tonen dat zijn beweringen kloppen. Zijn advocaat Moszkowicz zal ongetwijfeld de uitspraken van het EHRM hebben doorgelezen en een beroep doen op het feitelijk grondslag hebben van de (waarde)oordelen van Wilders (Jerusalem v Austria). Het is voornamelijk van belang waar de aanklacht van Wilders betrekking op heeft, nu de bekendste uitingen van Wilders een zelfde soort lading hebben als die van Féret lijkt het voor hem in ieder geval niet verstandig om – op basis van Féret v Belgium – in Straatsburg bij het Hof aan te kloppen, die maakt namelijk korte metten met politici die immigranten voorstellen als criminelen. Op de website http://www.watwilwilders.nl staan een hoop uitspraken die eenvoudig onder het begrip haatzaaien kunnen worden geschaard (hiervan zullen hoogstwaarschijnlijk de meeste citaten ook in de 21 pagina’s tellende aanklacht voorkomen). De grote invloed die Wilders heeft op het publiek zorgt voor een aantasting van de veiligheid en vrijheid van de moslims en allochtonen, daar kan geen door Wilders opgeroepen deskundige iets aan veranderen. Moszkowicz zal ook naar voren brengen dat een politicus, in het licht van de democratie, moet kunnen zeggen wat hij wil. Maar ook dat argument valt eenvoudig van tafel te vegen vanwege het volgende. In beginsel is de reactie op Wilders een tegenreactie en dient het bestraffen van zijn uitlatingen een ultimum remedium te zijn. Maar als die tegenreacties niets opleveren en het politieke debat geen uitweg biedt gaat de rechter met zijn hamer slaan, anders staat de politiek boven de wet. En dat zou het begrip democratie te ver oprekken en de ondergrens van de vrijheid van meningsuiting doen vervagen.

Wilders voor
Wilders komt op voor (een deel van) het volk, hij is een volksvertegenwoordiger. Een ieder die aan een publieke discussie deelneemt heeft recht op bescherming van zijn mening waardoor de mogelijkheid deze te beperken restrictief dient te worden uitgelegd. De mening van Wilders moet dus worden afgewogen tegen belangen van andere om de vrijheid zijn uitingen te doen te beperken. Bij een niet publiek (bekend) persoon dient het belang zijn mening te geven minder zwaar te wegen dan Wilders, nu Wilders zijn kiezers en diens belangen vertegenwoordigd. Onder meer omdat Wilders in de oppositie zit. Tevens hebben Wilders zijn uitlatingen betrekkingen op het beleid van zijn partij, in Féret v Belgium woog dit onvoldoende zwaar, maar dat is toch één van de zere plekken van die zaak. Ook al uit Wilders zich onnodig grievend, deze uitingen zijn van belang om zijn ideeën (en die van zijn kiezers) naar voren te brengen. Dit strookt ook met de fundamentele waarden van een democratische samenleving als pluralisme en tolerantie. Wilders zaait geen haat, maar uit politieke standpunten.

Het is de vraag in welke mate de Nederlandse rechter alle uitspraken van het EHRM bij zijn beoordeling in acht zal nemen, uiteindelijk is hij toch degene die het in casu voor het zeggen heeft.

This entry was posted in Grondrecht, Strafrecht and tagged , , , . Bookmark the permalink.