Softwareontwikkeling en makerschap

Een werknemer die buiten werktijd software ontwikkelt loopt het risico dat het auteursrecht daarvan van rechtswege toekomt aan de werkgever. Het gerechtshof heeft eveneens bepaald dat een ‘auteursrechthebbende maker’ niet tevens behoeft te zijn een houder van het eigendomsrecht van een werk. 

In onderstaande bijdrage worden twee rechterlijke uitspraken besproken (Schoonmaakprogramma en werknemer/Staat) die betrekking hebben op het makerschap van software ontwikkeld ten behoeve van een derde.

Software

Software wordt auteursrechtelijk beschermd wanneer het oorspronkelijk is en een eigen schepping van de maker constitueert (vgl. Infopaq). Bescherming kan tevens worden ingeroepen voor het voorbereidende ontwerpmateriaal dat tot het vervaardigen van de software leidt, mits dit materiaal gebruikt wordt bij de eindversie van de software (Considerans 7 Softwarerichtlijn).

Onderdelen van de grafische gebruikersinterface die louter worden gekenmerkt door hun technische functie genieten geen auteursrechtelijke bescherming (vgl. Gavita/Helle). Aan het oorspronkelijkheidscriterium is immers niet voldaan wanneer de uitdrukking van deze onderdelen door hun technische functie wordt bepaald, aangezien de verschillende manieren om een idee uit te voeren dan zodanig beperkt zijn dat het idee samenvalt met de uitdrukking ervan (r.o. 49 BSA/Ministerstvo kulturyn). Dit houdt in dat een zoekbalkje of een willekeurig menu-item geen bescherming geniet en dus door iedereen kan worden gebruikt (tenzij dit zoekbalkje dermate creatief is vormgegeven dat het voldoet aan het oorspronkelijkheidscriterium).

Makerschap

Wanneer een programmeur software in dienst ontwikkelt is de werkgever in de regel auteursrechthebbende (art. 7 Aw). De woorden `in dienst’ moeten volgens rechtspraak (HR 17 november 1967, NJ 1968, 162 Den Hollander/Luitingh) en literatuur (Spoor/Verkade/Visser en Schuijt) worden opgevat als de woorden `in dienst’ in de zin van art. 7:610 BW (arbeidsovereenkomst). Hieruit volgt dat de criteria van arbeid, loon en gezagsverhouding ook gelden voor art. 7 Aw (en een op schriftgestelde overeenkomst geen vereiste is om te spreken van een arbeidsrelatie). Echter gelden de zojuist genoemde criteria in beginsel niet voor overeenkomsten van opdracht (art. 7: 400 BW) (ook niet voor bijvoorbeeld de aanneming van werk, vgl. Memorie van Toelichting Flexwet). Bij de overeenkomst van opdracht (bijvoorbeeld een opdracht aan een freelancer) blijft het auteursrecht op het werk dan ook bij de opdrachtnemer (de freelancer) rusten, tenzij dit schriftelijk (bij akte) is overgedragen aan de opdrachtgever.

Makerschap en winstverdeling

Zo beslist ook het gerechtshof Den Haag op 15 november 2011, een programmeur eiste makerschap van een softwareapplicatie ontwikkeld ter ondersteuning van een eerder (mede) door de opdrachtgever ontworpen “module schoonmaken leidingen”. De programmeur had hierbij het technisch ontwerp en de gebruikersinterface van het schoonmaakprogramma ontworpen en geschreven. Dat hij in de programmatuur de wensen van de opdrachtgever omtrent de in te voeren gegevens, de benodigde variabelen, de functies en de beveiliging van de applicatie heeft ingepast en daarbij de in de door de opdrachtgever eerder gemaakte excel-sheets weergegeven informatie en grafieken tot voorbeeld nam, deed niet af aan het feit dat het programmeerwerk van de internetapplicatie door de programmeur werd verricht (r.o. 3.5 Schoonmaakprogramma). Het auteursrecht rustte daardoor bij de programmeur.

Gebruiksrecht en eigendom software

Met betrekking tot het gebruiksrecht en de eigendom van de software redeneerde het Hof de kant op van de opdrachtgever door te stellen dat:

Niet is gesteld of gebleken dat [programmeur] ten tijde van de samenwerking heeft aangegeven dat hij de broncode wenste te behouden of dat het zijn bedoeling was dat [opdrachtgever] niet het beheer zou krijgen van het programma, maar in de toekomst slechts via hem, [programmeur], (al dan niet tegen betaling) wijzigingen in de programmatuur zou kunnen bewerkstelligen. Naar het oordeel van het hof heeft [programmeur], mede in het licht van voorgaande overwegingen, onvoldoende gemotiveerd gesteld op welke grond de eigendom en/of het gebruiksrecht van de programmatuur aan hem toekomt (r.o. 3.6 Schoonmaakprogramma).

De programmeur en de opdrachtgever hadden geen (goede) afspraken gemaakt over de vergoeding die de programmeur zou ontvangen. Het voorstel van de opdrachtgever was, ten tijde van het aangaan van de overeenkomst (9 mei 2006), om de programmeur EUR 10,- per uur te betalen en de winst die de opdrachtgever door exploitatie van de applicatie zou verdienen (licentie-en beheersinkomsten) 50/50 met de programmeur te verdelen. De opdrachtgever ontving geen bevestiging van dit voorstel, maar betaalde de programmeur in ieder geval conform het voorstel.

Op 20 februari 2007 herhaalt de opdrachtgever nogmaals het voorstel waarbij hij de programmeur een e-mail stuurt met hierbij tevens een uitgewerkt rekenvoorbeeld waaruit volgt dat de programmeur geen netto-helft ontvangt van de winst, maar een brutobedrag waar belastingen en kosten (waaronder het uurloon van de programmeur) nog van worden afgetrokken. De programmeur besloot de opdrachtgever in rechte te betrekken, met als hoofdvordering een hogere betaling door winstdeling (op grond van zijn eigendomsrecht). Om te bepalen of de vergoeding volgens de programmeur zijn berekening dient te volgen,  zal gekeken moeten worden naar de afspraak die tussen partijen is gemaakt waarbij het makerschap niet wordt meegewogen, aldus het Hof. Het Hof stelt dat de programmeur (i.c. maker in de zin van art. 1 Aw) heeft nagelaten hier afspraken over te maken, waardoor hij geen recht heeft op zijn deel van de winstverdeling.

Het oordeel van het gerechtshof lijkt mij onjuist, omdat voor wat betreft de eigendom van de software van rechtswege geldt dat deze toebehoort aan de programmeur. Bij het nalaten van te maken afspraken over deze eigendomsrechten – die van belang zijn bij de berekening van de winstdeling – biedt het auteurs(contracten)recht een uitweg. Nu het auteursrecht niet (middels akte ingevolge art. 2 Aw) door de programmeur aan de opdrachtgever is overgedragen geldt dat de programmeur zich met succes zou kunnen verzetten tegen het handelen (het exploiteren van de software) van de opdrachtgever. Het Hof diende te onderzoeken of de programmeur zijn auteursrechten had overgedragen. Indien er geen rechten zijn overgedragen, heeft de programmeur als rechthebbende het recht op een redelijke vergoeding (zoals een winstdeling).

Makerschap en vervulling dienstbetrekking

Wil men als werkgever makerschap inroepen op software, dan moet de ontwikkeling van deze software volgen uit de vervulling van de verplichtingen die uit de dienstbetrekking tussen hem (de werkgever, opdrachtgever) en de werknemer (of: opdrachtnemer) voortvloeien. Spoor/Verkade/Visser menen dat werken zonder dat de werkgever zeggenschap heeft over de vorm waarin deze werken tot stand moeten komen, geen werken zijn in de zin van art. 7 Aw. Schuijt is het hiermee oneens en stelt dat de arbeidsrechtelijke gezagsrelatie geen vereiste is om art. 7 Aw toe te passen (dit betrof een discussie over wetenschappelijke werken).

In de zaak tussen een voormalig specialist digitalisering en applicatiebeheerder van de Centrale Archief Selectiedienst (CAS) en de Staat stelt het gerechtshof dat indien arbeid heeft gestrekt ter vervulling van de tussen partijen bestaande dienstbetrekking, deze in dienstverband heeft plaatsgevonden (vgl. HR 19 januari 1951, NJ 1952, 37, Van der Laan/Schoonderbeek). De werknemer beweerde auteursrechthebbende te zijn van software ontwikkeld ten behoeve van de Staat. Een deel van deze software had de werknemer thuis in privétijd ontwikkeld en zonder toestemming verwerkt in de software die hij in dienst had ontwikkeld. Na aanvankelijke ontevredenheid over dat laatste bij zijn leidinggevende heeft CAS het nut van het initiatief ingezien en doorgevoerd.  De werknemer had de applicaties vervolgens op het werk en onder de vlag van CAS verder doorontwikkeld, zonder enig voorbehoud te maken ten aanzien van een hem toekomend auteursrecht (r.o. 9 werknemer/Staat). Later wilde de werknemer schriftelijk bevestigd krijgen dat het ontwikkelen van het betreffende deel van de software dat thuis was ontwikkeld – aan hem toekwam. Deze bevestiging ontving de werknemer niet waardoor hij zich auteursrecht op (dit deel van) de software toeschreef,  onder andere door een © in de broncode te plaatsen.

Om te bepalen of het auteursrecht inderdaad toekomt aan de werknemer werd gekeken of de door de werknemer verrichte werkzaamheden waren gedaan ter vervulling van zijn dienstbetrekking.

Met het uitvoeren van deze werkzaamheden zonder enig voorbehoud heeft [X] de opdracht ook aanvaard. Aldus heeft CAS met toestemming van [X] van diens diensten gebruik gemaakt, waarmee is voldaan aan de voorwaarde voor toepasselijkheid van artikel 7 Aw dat de vervaardiging van het werk door de werknemer heeft gestrekt ter vervulling van de dienstbetrekking. Een specifiek op de ontwikkeling van (deze) softwareapplicaties toegespitste opdracht was daartoe niet vereist (r.o. 13 werknemer/Staat).

Feitelijk van belang is dat de werknemer onder andere bij herhaling schriftelijk heeft aangegeven dat het (mondeling) opgedragen taken betrof, waarvan hij schriftelijke bevestiging verlangde. Omdat uit art. 7 Aw geen overdracht in de zin van art. 2 Aw is vereist en de softwareontwikkeling past binnen de genoemde brede opdracht, komt het auteursrecht toe aan de Staat.

Conclusie

Zoals blijkt uit voornoemde uitspraken, is het lastig te bepalen na de opdracht aan wie het auteursrecht toekomt bij de ontwikkeling van software-werken in opdracht. Het werkgeversauteursrecht (art. 7 Aw) gaat op, behalve wanneer er geen sprake is van een gezagsverhouding tussen partijen. Maar dan nog, zoals blijkt uit Schoonmaakprogramma, kan de auteursrechthebbende in praktijk met lege handen komen te staan.

This entry was posted in Arbeidsrecht, Auteursrecht and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.